Brillen
Door Hans van der Kamp | 1 September, 2010
Toegegeven, ik wist al heel lang dat ik een leesbril nodig had. Dus af en toe ging ik naar een café en vroeg de bardame om de pot met achtergelaten brillen. U heeft geen idee hoeveel mooie leesbrillen er in een uitgaansgelegenheid achtergelaten worden. Met een krantje op de bar begon ik ze te testen. De lelijke en modieuze gingen er het eerst uit. De overgebleven brillen probeerde ik dan uit door de krant te lezen. Had ik scherp beeld, dan bleef die bril voorlopig op mijn hoofd staan.
Nu kunt u zeggen dat je voor de prijs van een Wodka met 7-up in Amsterdam drie fijne leesbrillen bij de Blokker kunt kopen, maar dan heb je een bril die iedereen op heeft. Een bril zonder eigen leven, zeg maar. De laatste bril die ik in een café bemachtigde is mij dermate dierbaar geworden dat ik hem nog enkele keren heb laten repareren. En soms zette ik ‘m op als het niet nodig was, gewoon omdat het zo’n fijn brilletje was.
Tegelijkertijd wist ik dat ik veraf prima kon zien. Althans dat dacht ik totdat een jonger iemand me vroeg welke tram er aankwam. Terwijl ik voor mijn gevoel in de mist stond te turen en twijfelde tussen lijn 7 en lijn 1, had zij haar bril al uit haar tas gehaald en riep: “Het is lijn 1″.
Dat is toch niet ideaal voor een fotograaf. Ik moest denken aan de tijd dat ik bij de Utrechtse Foto- & Afdrukcentrale werkte en daar had ik een baas die ontkende aan een bril toe te zijn en hij keurde vrijwel al mijn afdrukken af, omdat ze onscherp zouden zijn. Uiteindelijk ben ik op het hoogst mogelijke contrast gaan afdrukken, zonder een enkel grijstoontje, en toen ging hij wel morrend akkoord met mijn werk.
De laatste tijd kreeg ik ook wel eens klachten dat ik de sharpen-optie in Photoshop iets te gul gebruikte, dus vandaag ben ik maar eens naar mijn naamgenoot Hans Anders geweest. Ik viel met mijn neus in de boter, want ze hadden net actiedagen.
Na wat gepiel met boven afgebeelde apparatuur bleek ik in het geheel niet zo goed te zien, ook veraf niet, en bovendien ook nog eens astigmatisch te zijn, wat dat ook moge inhouden.
Eerst mijn tanden en daarna mijn haar naar de Filistijnen en ik was al jaren voorzien van een kunstheup die ze toch maar heel gul, ondanks mijn bescheiden levensverwachting, geplaatst hadden. Nu nog eens twee brillen. Een voor dichtbij en een voor veraf.
Ik had natuurlijk een dubbelfocus exemplaar kunnen kiezen, maar dan had ik me toch echt definitief oud gevoeld. Nu kies ik ervoor om die brillen steeds maar weer te gaan lopen zoeken, omdat mijn korte termijn geheugen ook wat minder wordt.
Met mijn geestesoog is (nog) niets mis. Ik zie de taferelen nu al voor me. “Waar ligt die godvergeten bril nu weer?! Nee, niet die! Die andere!”
Rubriek(en): Tutti Frutti | Geen reacties »
Onsje minder
Door Hans van der Kamp | 27 August, 2010
Hij is allang dood, maar ik had een oom die bijzonder vermogend was. Dat was ook aan hem te zien. Hij woog zo’n 200 kilo en zijn mond had zich in vorm aangepast aan de vette Havana die steevast tussen zijn lippen bungelde, zelfs wanneer hij sprak.
De man had de basis van zijn vermogen gelegd in de Tweede Wereldoorlog als slager door o.a. worstennat dat op de bon was met water aan te lengen. Na de oorlog begon hij panden op te kopen en die per kamer aan studenten door te verhuren. Bij zijn dood bezat hij iets van vijftig monumentale panden op A-locaties in het hart van de stad.
Het was een goedlachse man die altijd in driedelig kostuum door het leven ging. In mijn herinnering was geld zo’n beetje zijn enige gespreksonderwerp. Hij had een even moddervet zoontje dat sprekend op hem leek en ook al in een pak liep op zijn achtste levensjaar.
Omdat hij nu eenmaal mijn neef was, werd ik vaak met hem opgescheept tijdens verjaardagen en andere feestelijkheden binnen de familie.
Hoogtepunt van de avond in het huis van mijn oom was het klaverjassen om centen. Ik bedoel dit letterlijk. We hadden ze toen nog; munten van een cent.
Ik was zeven, mijn neefje was acht. Hij mocht om geld spelen, ik niet. Dat gaf een enorm buitengesloten gevoel, hoewel ik een hekel had aan kaarten. Het wekte ook mijn ergernis op dat mijn neefje alles wat zijn vader zei vrijwel letterlijk herhaalde met een grote blik van bewondering in zijn ogen.
Op een van die avonden vond ik het opeens toch wel gezellig. Of ik was het zat om de hele avond lang met mijn moeder en mijn tante in de voorkamer te zitten, dat kan ook.
Midden in de avond veegde mijn oom plotsklaps de kaarten bijeen en beëindigde het spel. “Waarom?” vroeg ik.
“Moeder de vrouw vindt dat het tijd is.” Ik keek naar de voorkamer, maar zag dat zij nog geanimeerd in gesprek was met mijn moeder.
“Dat moet u toch zelf bepalen wanneer u ophoudt te spelen?” zei ik met alle eigenwijsheid van een Montessori-koter. Er barstte een daverend gelach uit aan tafel en toen dat eindelijk uitgestorven was, keek mijn neefje me lachend en tegelijk minachtend aan. “Ik begrijp het echt niet,” zei ik nog eens ten overvloede.
“Nou,” antwoordde het neefje stralend. “Daar kom je dan later wel achter als je zelf een vrouw hebt.” Weer barstten de kaarters in lachen uit.
Ik was nu inmiddels woedend. “Als ik later groot ben, dan ga ik nooit doen wat mijn vrouw van mij vraagt!” Er volgde nog meer hatelijk gelach en ik stormde de trap op naar mijn kamer.
Mijn neefje groeide op tot een perfecte kopie van zijn vader en werd registeraccountant. Hoe hij zelf in de praktijk met vrouwen omgaat is voor mij niet na te gaan. De laatste keer dat ik hem zag was hij bijna veertig en nog steeds vergeefs op zoek naar een vrouw.
Ik heb me aan dat voornemen van die avond gehouden. Ik ben dan ook vaker gedumpt door vrouwen dan me lief is.
Rubriek(en): Tutti Frutti | Geen reacties »
« Previous Entries














